• Wolderwijd logo
 
header jurist

ZZP niet altijd schijnzelfstandig

Rechtbank: ZZP-constructies zijn niet altijd schijnzelfstandigheid

Rechter bewijst dat ZZP'er niet meteen een werknemer (schijnzelfstandige) is

6 minuten mr. Jeroen Kaspers arbeidsrecht voor werkgevers 03 april 2025 2026

Het onderwerp ‘schijnzelfstandigheid’ is al geruime tijd een heet hangijzer in de arbeidsmarkt. De ene keer lezen we dat vrijwel elke ZZP-constructie onder vuur ligt, de andere keer horen we dat alles wel losloopt. En dan is daar ineens een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2024:13328) die de discussie weer in een nieuw daglicht zet. Want wat blijkt? Niet elke samenwerking tussen opdrachtgever en ZZP’er (ook al heeft deze maar één opdrachtgever) hoeft meteen in de categorie ‘verdachte constructie’ te vallen. Niet alles is dus schijnzelfstandigheid.

Aard van de samenwerking blijft belangrijk

In deze zaak stond de rechter voor de vraag: is er daadwerkelijk sprake van een arbeidsovereenkomst — met alle gevolgen van dien, zoals loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming — of gaat het om een échte overeenkomst van opdracht? Het antwoord van de rechter was dat de ZZP’er wérkelijk zelfstandig was. Belangrijk om hierbij te beseffen: dit oordeel kwam niet enkel tot stand omdat de partijen op papier “ZZP” hadden opgeschreven, maar vooral omdat de praktijk daartoe aanleiding gaf. De praktijk is dus leidend (én blijft nog even lijdend ;-) ). 

De ZZP’er had diverse kenmerken van ondernemerschap: eigen materiaal, meerdere opdrachtgevers, de mogelijkheid tot vervanging en een factuur op basis van een afgesproken tarief in plaats van een maandsalaris. Tegelijkertijd hield de opdrachtgever zich ver genoeg op afstand; er was geen strikte gezagsverhouding die kenmerkend is voor een arbeidsovereenkomst.

Er is geen one-size-fits-all

Wat deze uitspraak mooi illustreert, is dat het juridische onderscheid tussen zelfstandigheid en werknemerschap geen kwestie is van één enkel criterium. Het gaat om de totale weging van elementen als gezag, tariefstructuur, ondernemersrisico, vervangbaarheid en meer.

Dit nuanceert de indruk dat opdrachtgevers per definitie “fout” zouden zitten als ze enige vorm van instructie geven of als een ZZP’er langere tijd voor hen werkt. De rechter keek naar de mate van vrijheid en risico die de ZZP’er in de praktijk had, en vond daarin genoeg bewijskracht voor zelfstandigheid.

Signaal voor opdrachtgevers én ZZP’ers

Voor opdrachtgevers is dit een duidelijk signaal: als je écht met een zelfstandig professional werkt, zorg dan dat de praktijk dit ook uitstraalt. Dat betekent dat je de ZZP’er voldoende ruimte geeft in de uitvoering en dat de ZZP’er de mogelijkheid heeft om bijvoorbeeld vervanging te regelen en eigen middelen te gebruiken. Een gepolijst contract op papier is mooi, maar als de werksituatie de facto op een dienstverband lijkt, blijf je alsnog kwetsbaar.

Voor ZZP’ers is de les dat je er goed aan doet om je ondernemerschap te laten zien. Heb je meerdere opdrachtgevers, investeer je in je eigen werkmiddelen, bepaal je zelf je tarief en organiseer je je eigen planning? Dat zijn sterke aanwijzingen dat je echt zelfstandig opereert. Krijg je in de praktijk nauwelijks vrijheid, ben je via een strak keurslijf onderdeel van de organisatie en krijg je verder geen ruimte om je eigen stempel te drukken, dan kan een rechter alsnog tot het oordeel komen dat je feitelijk werknemer bent.

Geen vrijbrief, wel duidelijkheid

Betekent dit dat er nu geen risico’s meer zijn rondom schijnzelfstandigheid? Natuurlijk niet. We weten dat de Belastingdienst en rechters scherp blijven letten op de feitelijke situatie. En ja, in veel sectoren komt het voor dat een “ZZP’er” voor langere tijd op één plek werkt en in de praktijk nauwelijks andere opdrachtgevers heeft. Dan kan de balans alsnog doorslaan naar een arbeidsovereenkomst.

Wat de uitspraak wél laat zien, is dat niet elke vorm van gezag of instructie automatisch leidt tot schijnzelfstandigheid. Met de juiste verhoudingen en voldoende zelfstandige kenmerken kun je als ZZP’er gewoon binnen de lijnen van de wet blijven.

Conclusie

De Rechtbank Rotterdam heeft met deze beslissing duidelijk gemaakt dat er nog steeds ruimte is voor échte zelfstandigen die op basis van wederzijds vertrouwen en duidelijke afspraken werken. Zolang de feiten en omstandigheden passen bij de ondernemersrol — en zolang de opdrachtgever niet alles dichttimmert alsof het een regulier dienstverband is — blijft de samenwerking overeind als “overeenkomst van opdracht”.

Voor iedereen die zich druk maakt over mogelijke schijnzelfstandigheid is dit dus goed nieuws. Het betekent wel dat zowel opdrachtgevers als ZZP’ers zorgvuldig moeten blijven in het vormgeven van hun samenwerking. Zoals de rechter ook aangeeft: let niet alleen op de papieren constructie, maar vooral op de werkelijke situatie in de praktijk. Als die écht wijst op zelfstandigheid, is er geen reden om van schijnzelfstandigheid te spreken.

Zo houden we de arbeidsmarkt — en vooral de positie van ZZP’ers — flexibel, fair en juridisch houdbaar. Dat is uiteindelijk in ieders belang.

Achtergrond
In deze zaak stond de vraag centraal of de overeenkomst tussen een opdrachtgever en een ZZP’er feitelijk moest worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst (en dus sprake zou zijn van schijnzelfstandigheid) of dat er daadwerkelijk sprake was van zelfstandige dienstverlening.

Feiten en omstandigheden

  • De ZZP’er werkte gedurende langere tijd voor dezelfde enige opdrachtgever.
  • De opdrachtgever gaf weliswaar instructies over de wijze van dienstverlening (bijvoorbeeld over kwaliteitseisen en werktijden), maar de ZZP’er behield vrijheid in de uitvoering.
  • Er was geen verplichting om persoonlijke arbeid te verrichten: de ZZP’er kon zich laten vervangen.
  • De ZZP’er liep ondernemersrisico (onder andere door te investeren in eigen materialen en het werven van aanvullende opdrachtgevers).
  • Er gold geen vast loon, maar een uurtarief op basis van facturatie.
  • De samenwerking was vastgelegd in een schriftelijke “overeenkomst van opdracht” die de zelfstandigheid van de ZZP’er benadrukte.

Overwegingen van de rechtbank

  • Gezagsverhouding: Hoewel er in enige mate instructies werden gegeven (met name over resultaten), was deze sturing onvoldoende om een gezagsverhouding te concluderen zoals bedoeld in een arbeidsovereenkomst. De ZZP’er had de nodige bewegingsruimte in de werkindeling en werkwijze.
  • Persoonlijke arbeid: De mogelijkheid tot vervanging door een derde wees erop dat het geen “strikte” persoonlijke arbeid was, zoals bij een werknemer.
  • Loon: Er was geen sprake van loon in de zin van een vast periodiek salaris; de ZZP’er factureerde per gewerkt uur op basis van een vooraf overeengekomen tarief.
  • Risico en ondernemerschap: De ZZP’er droeg voldoende ondernemersrisico doordat hij investeerde in zijn eigen bedrijfsvoering en meerdere opdrachtgevers had (of kon hebben). Dit wees op echte zelfstandigheid.

Uitspraak
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke kenmerken voor een arbeidsovereenkomst – loon, gezag en verplichting tot persoonlijke arbeid – in hun onderlinge samenhang niet waren vervuld. Conclusie: geen arbeidsovereenkomst, en dus geen schijnzelfstandigheid.

mr. J.A. Kaspers

mr. J.A. (Jeroen) Kaspers


Jurist en Mediator

Jeroen adviseert en procedeert op het gebied van arbeidsrecht, contractenrecht en huurrecht. Als mediator begeleidt Jeroen bij conflict of echtscheiding. Volg Jeroen ook op LinkedIn. Bereikbaar via kaspers@wolderwijd-juristen.nl of 036 522 7007.

Meer van mr. J.A. Kaspers over arbeidsrecht voor werkgevers:

Veelgestelde vragen: